For more information, please contact us through one of these options:

Call: +31 (0) 6 29 03 51 70

Email: info@triplevalueleadership.com

Or send us a message directly:

13 + 4 =

News and more

Is dit het einde van de landbouw zoals wij die kennen?

Jun 27, 2022

De stikstofcrisis is een kantelpunt voor de reguliere landbouw. Waarom? Omdat de overheid verlangt – de roep wordt steeds dwingender en onherroepelijker – dat de landbouw natuur-inclusief moet worden, terwijl de reguliere landbouw per definitie natuur-exclusief is georganiseerd. Dus lijkt de reguliere landbouw zoals wij die kennen – en met name de veeteelt – geen toekomst te hebben. Laat me dit uitleggen. Ik doe dit niet als een landbouwexpert, maar iemand die onderzoekt hoe duurzame economische systemen werken.

De huidige vorm van landbouw zit sinds de Tweede Wereldoorlog – toen Nederland met hulp van het Marshall plan het voortouw nam in de industrialisatie van landbouw, toen de ‘groene revolutie’ genoemd – vast in wat ik de groei-driehoek noem (productie-consumptie-winst). We noemen dit ook wel het ‘kapitalisme’, maar dat is een beladen woord dat ik liever vermijd. Het idee hierachter is dat het doel van economie is om geld te verdienen uit het produceren voor consumptie, gedreven door het idee van een zichzelf regulerende markt. Dit is een idee dat – sluipenderwijs – een vast axioma onder ons gehele economisch model is geworden, en de landbouw is daar geen uitzondering op.

We maken ons nu druk over stikstof, maar we dienen te beseffen dat de groei-driehoek per definitie “natuur-exclusief” is. De natuur heeft hierin namelijk geen prijs en in het economisch jargon heet schade aan de natuur dan ook een “externaliteit”, waar de markt geen zorg voor draagt.

De moderne landbouw – en met name de veeteelt – veroorzaakt een aantal van deze externaliteiten. Allereerst stikstof (pech voor de biodiversiteit), maar ook CO2 (pech voor het klimaat), waterverontreiniging (pech voor mens en natuur), bodem-uitputting (pech voor volgende generaties), dier-gerelateerde epidemieën (pech voor mens en dier) en inbreuk op dierenwelzijn (pech voor dieren).

In de groei-driehoek tellen deze waarden niet. Het gaat alleen om productie (maximale uitwinning van dier en bodem), ten behoeve van het stillen van consumptie (de consument op de wereldmarkt), met als doel financiële winst te boeken (waarmee investeerders hun geld terugverdienen). Zo denkt de reguliere voedselketen, van agrarische ondernemers, veevoederbedrijven, leveranciers van agrochemicals, vleesbedrijven, zuivelbedrijven, supermarkten, de financiers (zoals Rabobank), en – dat moeten we ook toegeven – velen van ons consumenten.

Hoewel we aan dit idee gewend zijn geraakt, is het niet houdbaar, want al deze externaliteiten kosten ons geld, gezondheid en welzijn. Ze gaan ons steeds meer pijn doen – en daarom dienen we er wat aan te doen.

Dit is niet simpelweg een conflict tussen boer en overheid, of tussen bedrijf en natuur. Dit gaat veel dieper: dit gaan over het voortbestaan van onszelf, ons leven in gezondheid en welzijn. Robert Kennedy zei al eens: “Onze economische modellen meten alles behalve wat van waarde is”. De boer is ook het slachtoffer van dit system.

Dus het is niet terecht om alleen van de boeren te verlangen dat ze natuur-inclusief worden. Er is een grotere transitie nodig, die begint met het  besef dat bijna onze hele voedselketen “natuur-exclusief” denkt en handelt. Dit vinden we erg lastig, zoals blijkt uit onze taal: we zeggen dat we pluimvee “ruimen” als ze ten prooi vallen aan de vogelgriep (terwijl we ze doden) en we praten over “bestrijdingsmiddelen” (als we het over gif hebben). Hoe ‘natuurlijk’ is dit?

Voor echte (duurzame) verandering zullen we deze driehoek dienen op te rekken naar de cirkel-van-duurzaamheid (natuur-creativiteit-welzijn, gedreven door een keten die verantwoordelijkheid neemt voor het geheel).

Deze cirkel is niet in strijd met de groei-driehoek, maar een noodzakelijke innovatie in ons economisch model waarbij de externaliteiten worden ge-internaliseerd (inclusief een eerlijke prijs), omdat deze waarden het vliegwiel vormen voor duurzame – dat wil zeggen volhoudbare en daarom werkelijk rendabele – landbouw. Het begint met de erkenning dat natuur-exclusieve landbouw op termijn niet werkt, voor niemand. Landbouw bestaat dankzij de natuur, niet ondanks de natuur.

Vervolgens dienen we de boeren een perspectief te geven – niet alleen een financieel, maar een duurzaam perspectief, anders helpen we hen van de regen in de drup. Dit perspectief is alleen duurzaam als het de externaliteiten van de hele keten in ogenschouw neemt – niet alleen stikstof als uiting van symptoombestrijding, maar alle factoren die de volhoudbaarheid van landbouw bepalen.

Dit is een complex proces, maar wel degelijk mogelijk als de betrokkenen leiderschap nemen en zich medeverantwoordelijk voelen voor het transitie-proces, inclusief de consumenten door meer te betalen voor gezonde, natuur-inclusieve producten.

Laten onze leiders een voorbeeld nemen aan de talloze boerenbedrijven die (met moeite) hierin geslaagd zijn, samen met hun keten-partners. Juist deze ondernemers dienen bij te dragen aan het perspectief dat we nodig hebben. Want zulke voorbeelden bieden hoop, een betere raadgever dan angst.  Laten we leren van deze nog te kleine groep voorlopers.

In mijn recente boek Triple Value Leadership beschrijf ik hoe het leiderschap zulke complexe transities handen en voeten kunnen geven. Door de stikstofcrisis is de landbouw nu in beeld, maar er zijn talloze andere sectoren waarin soortgelijke transitie-vragen spelen – denk aan de luchtvaart, de (fossiele) energiesector en de (onbetaalbare) zorg. Het is tijd om voorbij symptoombestrijding te gaan en te leren hoe we deze onvermijdelijke vragen systematisch gaan beantwoorden. Ik zal hier in volgende blogs op terugkomen.

(Header Photo by Jo-Anne McArthur on Unsplash )

 

Share if you like this. Thank you!

0 Comments

Share This